Wat is het verschil tussen "diploma secundair onderwijs' en "ten minste hso"?
Het diploma secundair onderwijs is het document dat wordt afgeleverd aan leerlingen die het zesde jaar (officieel: 2de jaar van de derde graad) aso, tso of kso met vrucht hebben beƫindigd. Het diploma so verschaft hen tevens toegang tot het hoger onderwijs (al dan niet universitair). Voor het ambt van studiemeester-opvoeder is dit diploma geclassificeerd als een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
 
In het bso echter wordt het diploma so pas afgeleverd na het zevende jaar (3de jaar derde graad). Na het 2de jaar derde graad bso kunnen de leerlingen enkel het getuigschift van de derde graad bso verwerven, dat nog geen toegang verleent tot het hoger onderwijs.
 
Dit getuigschrift van de derde graad bso is een van de studiebewijzen die in de regelgeving over de bekwaamheidsbewijzen wordt begrepen onder de overkoepelende benaming "ten minste HSO", en die slechts beschouwd worden als een "ander" bekwaamheidsbewijs voor studiemeester-opvoeder; daarmee kan een personeelslid geen aanstelling voor doorlopende duur verwerven, laat staan een vaste benoeming.
 
Het komt er dus op neer dat men houder kan zijn van een "ten minste HSO" indien men de laatste jaren van het leerplichtonderwijs met vrucht beƫindigd heeft, bv. t.e.m. het 2de jaar van de derde graad bso, zelfs al heeft men nog niet het diploma van secundair onderwijs verworven. "Ten minste HSO" kan dus een lager studiebewijs zijn dan het diploma so.
 
De wettelijke basis voor de bekwaamheidsbewijzen vinden we terug in het Besluit van de Vlaamse regering van 14/06/1989 (www.ond.vlaanderen.be/edulex) > rubrieken wetgeving > personeel > administratief statuut > gemeenschaps- en gesubsidieerd onderwijs > bestuurs- en onderwijzend personeel > 14/06/1989.
"ten minste HSO" is gedefinieerd onder art. 7 punt 25 van dat besluit (vanwaar op zijn beurt wordt verwezen naar andere artikels en punten).